De uitspraak van VHP-parlementariër Cedric van Samson dat Chandrikapersad Santokhi een standbeeld verdient, zal ongetwijfeld stof doen opwaaien in Suriname. In een politiek klimaat waarin kritiek vaak harder klinkt dan waardering, is zo een uitspraak opvallend en geladen. Toch laat het volgens velen ook zien dat er binnen de VHP nog steeds personen zijn die de rol van Santokhi in een breder historisch perspectief plaatsen.
Van Samson heeft zich de afgelopen periode vaker publiekelijk uitgesproken over Santokhi en diens leiderschap. Zo verdedigde hij eerder het standpunt dat de schuld van de verkiezingsnederlaag van de VHP niet zomaar bij één persoon moet worden gelegd, en waarschuwde hij dat de beoordeling van Santokhi niet alleen emotioneel, maar ook inhoudelijk moet gebeuren.
Met de uitspraak dat Santokhi een standbeeld verdient, lijkt Van Samson te willen aangeven dat de oud-president volgens hem erkenning moet krijgen voor zijn inzet in een bijzonder moeilijke periode. Voorstanders wijzen erop dat Santokhi aantrad in een tijd waarin Suriname kampte met zware economische problemen, politieke verdeeldheid en hoge verwachtingen vanuit de samenleving. In zo een situatie is elke beslissing gevoelig, en elke maatregel wordt vroeg of laat onderwerp van debat.
Tegenstanders zullen echter direct zeggen dat een standbeeld pas thuishoort bij iemand van wie de prestaties breed en onomstreden worden erkend. Juist daar wringt het in het geval van Santokhi. Zijn presidentschap riep bij een deel van de bevolking hoop op, maar bracht bij anderen teleurstelling, frustratie en wantrouwen met zich mee. Dat maakt de uitspraak van Van Samson niet alleen politiek opmerkelijk, maar ook symbolisch explosief.
Toch is het niet ongewoon dat politieke medestanders anders kijken naar leiders dan het bredere publiek. Binnen partijen wordt vaak meer gewicht gegeven aan bestuurlijke keuzes achter de schermen, aan internationale relaties, aan pogingen tot stabilisatie en aan de druk waaronder regeringen opereren. Waar critici vooral kijken naar het resultaat op straat, kijken bondgenoten vaak ook naar de omstandigheden waarin bestuurd werd.
De woorden van Van Samson zullen daarom door velen niet letterlijk, maar als politiek signaal worden gelezen. Het is een manier om te zeggen dat Santokhi volgens hem niet moet worden weggezet als iemand die alleen fouten heeft gemaakt, maar als een leider die in moeilijke tijden verantwoordelijkheid heeft gedragen. In die zin is het “standbeeld” misschien minder een kwestie van steen of brons, en meer een oproep tot politieke waardering.
De discussie die hierdoor ontstaat, raakt aan een grotere vraag in Suriname: hoe beoordelen we onze leiders? Alleen op populariteit van het moment, of ook op de context waarin zij keuzes moesten maken? Voor de een is Santokhi een symbool van gemiste kansen. Voor de ander blijft hij een bestuurder die het aandurfde verantwoordelijkheid te nemen in een periode waarin weinig besluiten zonder risico waren.
Eén ding is zeker: met deze uitspraak heeft Cedric van Samson opnieuw laten zien dat de naam Santokhi nog lang niet uit het politieke debat verdwenen is.
